Grammatica

Werkwoordspelling

Uitgelegd: d, dt en 't kofschip. Leer de regels voor correcte werkwoordspelling.

Werkwoordspelling lijkt vaak ingewikkeld. In de praktijk draait het om een paar vaste stappen en een paar begrippen die je moet begrijpen. Als die duidelijk zijn, wordt de rest een stuk overzichtelijker.

We beginnen daarom met de belangrijkste termen.

BELANGRIJK

Belangrijke begrippen

Hele werkwoord (infinitief)

Dit is de vorm die meestal eindigt op -en. Dit is de vorm die je in het woordenboek vindt.

Voorbeelden: lopen, werken, antwoorden, worden, gebeuren

Stam

De stam is het hele werkwoord zonder -en. De stam is ook de ik-vorm in de tegenwoordige tijd.

Voorbeelden:

  • lopen → loop (ik loop)
  • werken → werk (ik werk)
  • antwoorden → antwoord (ik antwoord)
  • worden → word (ik word)

Let op: Soms past de stam zich iets aan: reizen → reis, maken → maak

't Kofschip

Een hulpmiddel om te bepalen of een werkwoord eindigt op -t of -d in de verleden tijd en bij het voltooid deelwoord.

De medeklinkers in 't kofschip:

t k f s ch p

Eindigt de stam op één van deze letters? → Dan gebruik je een t

Zo niet? → Dan gebruik je een d

DEEL 2

Tijdsvormen uitgelegd

Tegenwoordige tijd (tt)

Iets dat nu gebeurt of altijd waar is.

Voorbeeld: "Hij werkt vandaag thuis."

"Water kookt bij 100 graden."

Verleden tijd (vt)

Iets dat eerder gebeurde. Twee vormen:

Onvoltooid verleden tijd (ovt)

"gewone" verleden tijd → Hij werkte gisteren.

Voltooid verleden tijd (vvt)

iets was al gebeurd vóór iets anders → Hij had gewerkt voordat hij naar huis ging.

Voltooid deelwoord (vd)

Dit gebruik je samen met een hulpwerkwoord zoals heeft, is, had, was. Voltooid deelwoorden beginnen vaak met ge-.

Voorbeeld: "Hij heeft gewerkt." / "Wat is er gebeurd?"

Let op: Het voltooid deelwoord is geen tijd, maar een werkwoordsvorm.

DEEL 3

De belangrijkste regels

REGEL 1

Tegenwoordige tijd – stam + t

Fout

Hij werk hard.

Zij loop naar huis.

Correct

Hij werkt hard.

Zij loopt naar huis.

Taalregel:

  • Ik = stam (ik werk)
  • Jij/hij/zij/het = stam + t (hij werkt)
  • Wij/jullie/zij = hele werkwoord (wij werken)
REGEL 2

Werkwoorden met een stam op d

Fout

Hij word morgen 18.

Correct

Hij wordt morgen 18.

Taalregel:

Stam + t, ook als de stam al op een d eindigt. Word + t = wordt

REGEL 3

Verleden tijd – 't kofschip

Fout

Hij werkde gisteren.

Correct

Hij werkte gisteren.

Taalregel:

  • Stam 'werk' eindigt op 'k' → k in kofschip → -te
REGEL 4

Voltooid deelwoord – d of t?

Fout

Wat is er gebeurt?

Correct

Wat is er gebeurd?

Taalregel:

  • Gebeur → r niet in kofschip → gebeurd
REGEL 5

Gebeurd vs Gebeurt

Fout

Wat is er gebeurt?

Correct

Wat is er gebeurd?

Taalregel:

  • Staat er 'is'? → voltooid deelwoord (gebeurd)
  • Staat het alleen? → tegenwoordige tijd (gebeurt)
STAPPENPLAN

Bij twijfel

Zo pak je werkwoordspelling systematisch aan.

1

Zoek het hele werkwoord

bijv. "werken"

2

Bepaal de stam

werk

3

Bepaal de tijd

tt, ovt of vd?

4

Pas de regel toe

stam+t of 't kofschip

Rustig werken voorkomt bijna alle fouten!

Kort onthouden

Stam = ik-vorm Hij-vorm = stam + t OVT = 't kofschip Voltooid deelwoord = 't kofschip VVT = had/was + vd

Eerst de stam bepalen, daarna pas de regel toepassen.

OEFENINGEN

Test je kennis

Klik op "Toon antwoord" om te controleren en dan op "Volgende vraag" voor de volgende oefening.

Vraag 1 van 5

Welk woord is de stam van "werken"?

Hele werkwoord: werken

Oefenen maar!

Nu je de basis weet, is het tijd om te oefenen. Check onze spellingcontrole of bekijk meer grammatica tips.