Uitgelegd: d, dt en 't kofschip. Leer de regels voor correcte werkwoordspelling.
Werkwoordspelling lijkt vaak ingewikkeld. In de praktijk draait het om een paar vaste stappen en een paar begrippen die je moet begrijpen. Als die duidelijk zijn, wordt de rest een stuk overzichtelijker.
We beginnen daarom met de belangrijkste termen.
Dit is de vorm die meestal eindigt op -en. Dit is de vorm die je in het woordenboek vindt.
Voorbeelden: lopen, werken, antwoorden, worden, gebeuren
De stam is het hele werkwoord zonder -en. De stam is ook de ik-vorm in de tegenwoordige tijd.
Voorbeelden:
Let op: Soms past de stam zich iets aan: reizen → reis, maken → maak
Een hulpmiddel om te bepalen of een werkwoord eindigt op -t of -d in de verleden tijd en bij het voltooid deelwoord.
De medeklinkers in 't kofschip:
Eindigt de stam op één van deze letters? → Dan gebruik je een t
Zo niet? → Dan gebruik je een d
Iets dat nu gebeurt of altijd waar is.
Voorbeeld: "Hij werkt vandaag thuis."
"Water kookt bij 100 graden."
Iets dat eerder gebeurde. Twee vormen:
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
"gewone" verleden tijd → Hij werkte gisteren.
Voltooid verleden tijd (vvt)
iets was al gebeurd vóór iets anders → Hij had gewerkt voordat hij naar huis ging.
Dit gebruik je samen met een hulpwerkwoord zoals heeft, is, had, was. Voltooid deelwoorden beginnen vaak met ge-.
Voorbeeld: "Hij heeft gewerkt." / "Wat is er gebeurd?"
Let op: Het voltooid deelwoord is geen tijd, maar een werkwoordsvorm.
Hij werk hard.
Zij loop naar huis.
Hij werkt hard.
Zij loopt naar huis.
Taalregel:
Hij word morgen 18.
Hij wordt morgen 18.
Taalregel:
Stam + t, ook als de stam al op een d eindigt. Word + t = wordt
Hij werkde gisteren.
Hij werkte gisteren.
Taalregel:
Wat is er gebeurt?
Wat is er gebeurd?
Taalregel:
Wat is er gebeurt?
Wat is er gebeurd?
Taalregel:
Zo pak je werkwoordspelling systematisch aan.
Zoek het hele werkwoord
bijv. "werken"
Bepaal de stam
werk
Bepaal de tijd
tt, ovt of vd?
Pas de regel toe
stam+t of 't kofschip
Rustig werken voorkomt bijna alle fouten!
Eerst de stam bepalen, daarna pas de regel toepassen.
Klik op "Toon antwoord" om te controleren en dan op "Volgende vraag" voor de volgende oefening.
Hele werkwoord: werken
Antwoord:
werk
De stam is het hele werkwoord zonder -en. Dus: werken → werk
Je hebt alle oefeningen voltooid.
Nu je de basis weet, is het tijd om te oefenen. Check onze spellingcontrole of bekijk meer grammatica tips.